4 september 2016

Leesfragment “Een woord een woord”

Door hetlogboek

Een woord een woord

Decor. De huiskamer van een doorzonwoning in Bovensmilde, grenzend aan de Schoolstraat. Zithoek bestaande uit een bankstel en een losse zetel – plavuizen met in het midden een tapijt. Eetkamerstoelen langs de wanden.

Rekwisieten. Potpalm, staande schemerlamp, borstbeeld van een Molukker (van gips, wit). Aan de muur boven de schouw: een schilderij van een Moluks jongetje, sleetje rijdend in de sneeuw (genre zigeunerkind met traan).

Publiek. Veertien Molukkers, onder wie de vrouw des huizes, haar buurvrouwen en haar stokmagere, grijze oom. Acht belanda’s (geboren Smildigers en buitenlui).

In afwachting van de voorstelling geven we elkaar de koffiekan door. Er zijn krakelingen en ook pinda’s. De wederzijdse behulpzaamheid is groot, de toon van de gesprekken beleefd onwennig. Wanneer alle toeschouwers een plek hebben gevonden, verschijnt er nog iemand op het tuinpad. Het is een grofgebouwde vent, type turfschipper. De voordeur staat op een kier, hij hoeft niet aan te bellen. Klossend over de tegels stapt hij de kamer binnen, zoekend naar een vrije stoel.

            ‘Ik kom hier anders nooit.’ De man spreekt plat Drents. Hij loopt te verkondigen dat hij hier niets te zoeken heeft. ‘Ik verdom het om een voet in de Molukse wijk te zetten. Ze moeten met hun poten van onze kinderen afblijven. Ja toch?’ We schikken in om plaats te maken, maar de man blijft staan ter hoogte van de schouw. Hij is kaal. Met zijn vissenogen en smakkende lippen is hij op een nadrukkelijke manier aanwezig. ‘Mijn vrouw komt hier wel. Eens per jaar. Om te collecteren. Maar andersom moeten ze dat niet wagen. Als er ’s avonds een Molukker bij mij zou aanbellen dan sla ik ’m voor de kop.’

            De aankondiging van het toneelstuk heeft in het kerkblad gestaan. Vijf huiskamers in Bovensmilde worden intieme theaters waar acteurs en amateurs een voorstelling spelen over een tragisch verleden en een andere toekomst. Over wat een dorp verscheurde en weer verbond.

‘Ik was elf. Toen ik vrijkwam was het eerste wat ik dacht: Hier gaan we het niet over hebben.’

            Een dame met een parelketting heeft de plaats ingenomen van de man met het Drents accent. Ook zij blijft staan ter hoogte van de schouw. ‘Weten jullie wat ik het ergste heb gevonden?’ Ze richt zich tot de hele kring, van het bankstel bij het voorkozijn tot het kluitje toeschouwers aan de eettafel achterin.

             ‘Het ergste was dat papa en mama niets van zich lieten horen. Ik voelde me zo eenzaam. Mijn broertje zat ook in de aula, maar ik heb hem niet getroost. Ik deed alsof hij lucht was, zag hem niet eens. Ik dacht alleen maar: Waarom komen papa en mama niet? Waarom kan het ze niets schelen dat ik gevangenzit? Ik dacht dat ze gewoon naar hun werk waren gegaan.’

            Haar stem schiet de hoogte in; met haar vingers telt ze ongemerkt de parels. ‘Ik heb bij dat raam staan schreeuwen alsof mijn leven ervan afhing. En dat was ook zo. Letterlijk. Er stond wél een geweer op ons gericht, en anders was het takatakatak en lagen wij daar in een plasje bloed.’

            Dan, haar handen ineenslaand, vraagt ze of wij weten hoe het advies luidde van de hulpverleners na afloop?

            ‘Als je kind er niet zelf over begint, zeg er dan niets over. Als het wel ter sprake komt, laat het rusten. Stel het maar voor als een verregend schoolreisje.’

            Ook de dame verdwijnt weer, maar bij de deur draait ze zich om. ‘Pijn die je levend begraaft, sterft niet.’

            Op de gang bij de kapstok passeert ze een kale Molukker die, eenmaal binnen, zijn korte leren jack aanhoudt. Hij wil een stoel. Zodra hij zich heeft genesteld onder de schemerlamp begint hij te vertellen. ‘Mijn broer kwam thuis in een kist. Er zat zo’n glaasje voor, maar de kist zelf was verzegeld.’

            Er had geen autopsierapport bij gezeten, geen artsenverklaring, niets. Als je goed keek zag je dat zijn halve kaak ontbrak, het ontbrekende stuk was opgevuld en toegedekt met verbandgaas. Net zo was het bij de andere kisten die in de Jasmijnstraat werden afgeleverd.

            In plaats van zijn eigen verdriet benoemt hij dat van zijn ouders: het leger dat ze zo trouw hadden gediend, had hun zoon gedood. ‘Maar hij is niet dood. Mijn broer leeft.’ Een neef van me is naar hem vernoemd, die draagt nu dus zijn naam. ‘En met hem leeft ook het rms-ideaal voort. Mena muria!

            Nu de zon achter de puntdaken van Bovensmilde daalt valt er een gelijkmatige gloed over het publiek. Het schijnsel heeft een vervagend, democratisch effect, alsof de regisseur het zo bedoeld heeft.

De pauze overvalt ons. Er is geen toneelgordijn dat dichtschuift, slechts de komst van een volgende verteller blijft uit. Onze gastvrouw vult de schalen met kroepoek en pinda’s, we luisteren naar het gekraak van de zakjes.

            Iemand zegt: ‘Is dit nou echt of gespeeld?’

            ‘Alle verhalen zijn echt,’ zegt de gastvrouw. ‘Maar ze worden verteld door acteurs.’

            ‘Er is niets verzonnen,’ vult de Molukse aan die ons is voorgesteld als buurvrouw. Ze zit op het bankstel, draagt een citroengeel truitje. ‘Ik weet wie de broer van de gedode kaper is. Ik bedoel dus niet dat ik de acteur ken. Ik weet over wie het gaat.’

            ‘Wie dan?’ vraagt iemand.

            ‘Ik geloof niet dat dat ertoe doet,’ klinkt het vanaf de bank.

            De magere Molukse heer links van me buigt zich naar mij toe. Met zijn kin wijst hij in haar richting. ‘Ze is zelf de weduwe van een kaper,’ zegt hij